Geen held

Zes weken zomervakantie is ontzettend lang. Onvoorstelbaar lang eigenlijk. Zoals je vaak met dingen hebt, lijkt alles grootser wanneer je kind bent. Die enorme speeltuin waar je ooit was blijkt niet veel meer dan een wipkip met uitzicht. Een hele zak chips is geen avondvullend programma meer en, zonder grollen, tiktak duurde dus maar 5 minuten. Maar de zomervakantie daarentegen, die duurt wanneer je een kind hébt oneindig veel langer.

Vanwege deze reden gaat het kind een weekje op vakantie. Naar oma. Prettig voor alle partijen. Op een mooie zaterdagochtend breng ik het kind naar de polder. Koffertje in de achterbak, muziekje op en windmolens tellen maar.
‘Cat had jij nou die tandpasta nog in de koffer gestopt?’, vraag ik terwijl ik probeer te bedenken wat ik dit keer allemaal vergeten ben. ‘Ja girl’, antwoordt het kind. Wennen blijft het, de invloed van YouTube op de kleuters dezer dagen. ‘Oke held’, probeer ik ook maar wat.
‘Mam, Jezus is een held, ik niet’
‘o ja?’
‘Ja, want hij geeft arme kinderen te eten enzo. Hij hoort bij het kerstdiner. Toch mag je zijn naam niet zeggen’
‘hmhmm’
‘je kunt hem ook kleien he? In hele toffe kleuren, en hij zit soms in een surprise-ei, heb ik gezien op YouTube, maar dan noemen ze hem Aladin. Ik denk dat het Spaans voor Jezus is’

Net als ik wil reageren zie ik een lampje op het dashboard aan gaan begeleid door een piep. Het is een rood uitroepteken met een soort ribbeltje eronder. Het kind brabbelt nog wat door maar ik luister niet meer. Rood is foute boel heb ik geleerd. Oranje, dan heb je speling, kun je nog wat aanmodderen, mag je de tijd nemen om gebreken op te lossen. Maar rood, dan is het menens. Terwijl ik het stuur fijnknijp probeer ik rustig na te denken. Wat moet ik doen? Wat is er nou aan de hand? Zou dat ribbeltje iets betekenen? Wat verwacht deze auto nu van mij? Ik haat het, verwachtingen. Terwijl ik langs de dijk op de snelweg rijd rem ik zachtjes. Nou, de rem doet het nog. Dat is mooi. Maar nu? Het kind heeft inmiddels door dat er iets gaande is. ‘Mama? Wat is er? Je kijkt niet zo cute’. Ik negeer haar en bedenk me ineens dat er wel eens tekst in het beeld staat, maar dan moet ik eerst de cruise-control uitzetten. Ha! Ja, een bericht van mijn auto voor mij: banden oppompen. God ja hoor, banden oppompen, tuurlijk. Dat klinkt als oranje, maar het signaal is overduidelijk rood. Betekent dus dat je meteen de auto aan de kant moet zetten. Zou mijn band nu lek gaan ineens? Ja, een klapband! Stel je voor zeg. Inmiddels ben ik bij de Ketelmeerbrug. Lastig om hier je auto aan de kant te zetten. Ik weet ook niet goed hoe lang het duurt tot de volgende benzine-pomp. Ik besluit oma te bellen, uiteraard veilig handsfree. Het kind houdt mij nauwlettend in de gaten.

Terwijl ik aan de telefoon het berichtje van de auto herhaal en overleg waar de eerste benzinepomp is en of ik nou kan doorrijden of niet, valt me ineens op dat er allemaal lampen om me heen branden. Ochja, tuurlijk, de brug gaat dicht. Wat een timing. Ik zie voor mij niemand rijden. Terwijl ik vaart minder en me hardop afvraag waar ik eigenlijk moet stoppen voor de brug, kijk ik in mijn achteruitkijkspiegel of er geen auto’s tegen mij op gaan botsen vanwege mijn slakkengangetje. Nou, dat zal niet gebeuren want die staan allemaal netjes in een lange rij te wachten voor de slagboom. De slagboom!!! Neeeeeeeee. De slagbomen zijn dicht, en ik sta met mijn moeilijke banden en mijn kind stil op een brug die opengaat. Oké paniek is nu op zijn plaats. Maar eerst nadenken. Wat moet ik doen? Safety first. Altijd. Ik rijd zover ik kan achteruit totdat ik zo een beetje tegen de slagboom aansta. En nu? Eronderdoor past echt niet. Duizend dingen schieten door mijn hoofd. Hoe gaat deze brug open? Ga ik zo schuin omhoog of naar beneden? Heb ik ooit iets geleerd of gelezen over deze calamiteit? Het kind huilt. Shit, shit, shit. Is er niet vorig jaar iemand overleden door precies dezelfde toestand hier? Oké, ik ga eruit. Ik ren naar de passagierskant en maak het kind los uit haar gordel. Krijsend trek ik haar mee tot achter de slagboom. In een waas zie ik een groot publiek aan auto’s achter mij staan. Ik ben nooit een podiumbeest geweest. Alles trilt. Maar we zijn veilig. Ik heb mijn kind en mezelf in een benarde situatie gewerkt maar ook eruit gehaald. We leven! We zijn droog. En nu gaan we samen met tig anderen kijken hoe de 8 maanden oude glimmende Clio te water zal gaan.

Het voelt als een film. Een soort drive-in bioscoop nou ik erover nadenk. Ik houd een krijsend, gillend kind vast en probeer haar te kalmeren. ‘We zijn oké liefje, hier kan ons niets gebeuren’. Ineens besef ik me dat iemand naar mij schreeuwt. Boven het kind uit; respect. Ik kijk omhoog en zie vanuit een soort brug-loft een groot rood hoofd schreeuwen: ‘wegwezen jij! Rijden! Nu!’. Nou begrijp ik de ernst van de situatie maar ga nou niet zo doen. Ik doe mijn best en ik heb bandenissues en een hysterisch kind, ik kan een woedende man er niet bij hebben nu. En ik ben bang. Wanneer was ik voor het laatst bang? Ik zou het niet weten. Laat die auto maar, het geeft niet, communicatief scheelt er aardig wat aan ben ik net achter, we kunnen hem missen. ‘Ik ga die auto niet in, ik durf niet!’, schreeuw ik terug. Maar de man dult geen tegenspraak. “Instappen en wegwezen, NU!’. Totaal geen vriendelijkheid. Ik vraag me af waar zijn woede vandaan komt. Is dit angst? Ja dit is vast angst. Als hij zo graag die auto weg wil, dan doet hij het zelf maar. Opnieuw zeg ik dat ik niet durf. Het kind schreeuwt dat ze nooit meer die auto ingaat. Lief wel, in nood maak je de beste vrienden blijkt maar weer. Ik kan die man moeilijk vertellen dat ik naast dit falen ook nog bandproblemen heb. Toch schreeuwt de man me weer woedend toe dat ik moet opdonderen en welnu.

Eerlijk is eerlijk. Het zijn duidelijke instructies. Maar ik sta aan het begin van de oversteek. Pas later besef ik me dat natuurlijk niet de gehele brug zal gaan bewegen. Het is namelijk nog een behoorlijk eind tot ik weer aan vaste wal zal zijn. Redden mijn banden dat? De spanning die de man bovenop mijn al vergevorderde stressniveau dumpt, is teveel. De show is over, ik ga racen besluit ik. Jawel, ik ren zo goed als het gaat met het kind onder mijn arm naar de auto. Ze spartelt tegen maar ik zeg rustig dat alles goed komt en ren om de auto heen naar mijn plek. Gordel om, handrem eraf, diep ademhalen en scheuren maar. Ik zie voor me hoe de band het begeeft en ik tegen de vangrail aanbots en te water ga. Niet aan denken, gaan! Ondertussen zeg ik tegen het kind dat alles goed is. Dat we het halen, dat we gewoon een ongelukje hadden. Dat dit een spannend avontuur is. Dat ik haar zo ontzettend ga knuffen. Dat we er bijna zijn. Nog een paar meter. Ja gehaald!

Opgelucht ben ik niet. Nog altijd is mijn relatie met mijn auto niet hersteld. Gelukkig volgt er snel een benzinepomp. Eerst mijn meisje die inmiddels stilletjes naast mij zit geruststellen. Ik knuffel en kus haar en neem haar mee naar binnen voor een ijsje. Op een stoepje in de zon probeer ik zo pedagogisch als mogelijk een praatje te maken over ons incident. Ik maak haar duidelijk dat dit mijn schuld was en dat niet alle bruggen eng zijn, dat de meneer een slechte dag had want hij moest vroeg opstaan en dat is jammer in de vakantieperiode en dat ik nu even de banden ga oppompen en dat dan de hele wereld weer zo mooi is als zij.

Helaas gaat het alarmsignaal niet uit. Wat ik ook probeer. Niet na een stukje rijden. Uit- en aanzetten. Corrigerend tikje mocht niet baten. Het zal mij niet gebeuren dat ik deze brug-gate overleef en straks ten val raak door een klapband. Ik besluit de auto-hulplijn te bellen. Terwijl ik vertel over het lampje ben ik best trots op mezelf. Ik houd het kort en bondig. De beste man is heel erg vriendelijk en zegt me dat het waarschijnlijk de sensoren zijn. Omdat het een zaterdag betreft zijn de dealers niet open voor onderhoud en zal ik tot maandag moeten wachten. Wel moet ik goed in de gaten houden of ik geen veranderingen opmerk tijdens het rijden want er bestaat ook een mogelijkheid dat er een band is die langzaam leegloopt. Ik laat dit even bezinken. De meneer vraagt of ik nog aan de lijn ben.
‘Ja sorry. Ik heb nog een vraagje meneer. Weet u of er ook wel eens iemand is overleden aan een aangedane sensor?’.
De beste man lacht zo hard als de brugmeester schreeuwde. Wat een extraverte meneren komen er op mijn pad vandaag.
‘U kunt wel lachen, maar ik had zojuist een bijna-dood-ervaring en ik ben bang dat ik momenteel niet zo goed op wispelturigheden van mezelf, mijn auto of derden reageer’. De man reageert vol empathie en krijgt daarop mijn hele ervaring kado. Zo, dat lucht lekker op zeg. De man zegt dat ik hem de hele dag mag bellen wanneer ik ook maar denk dat ik iets merk aan mijn auto. ‘Tot hoe laat werkt u vandaag?’, vraag ik dus maar. Hij zegt dat ik tot 16 uur naar hem kan bellen. ‘Ook om het er gewoon nog even over te hebben?’. Ook dat mag.

Post navigation

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *