Deel 20: Peuterdepressie

Het kind is depressief. Al gedurende acht weken en drie dagen heeft zij moeite haar blijdschap aan de te wereld te tonen. Lachen doet ze alleen wanneer er een foto wordt gemaakt, en dan ook overdreven uitbundig. Alles wordt met een negatieve toon ontvangen. ‘Wil je vanavond patat of pizza?’, klinkt mij als een feest in de oren. Maar mijn dochter antwoordt: ‘pasta’. Wanneer ik daadwerkelijk pasta aan het koken ben om mijn schattebout enigszins gelukkig te maken, wil zij toch liever gewoon een broterham. Lieflijk doch educatief probeer ik haar uit te leggen dat tweemaal brood op een dag wel genoeg is; ‘in de ochtend eet je een broodje, in de middag eet je een broodje en ‘s avonds eten we warm. En wat is het nu?’. Boos roept ze: ‘etenstijd! En ik wil broterhaaaaaam!’. Zucht.

Het begon allemaal met een ellendige oorontsteking. Nu heeft ze dat vaker meegemaakt, maar ditmaal wilde het niet stoppen. Vanaf het moment dat haar oor begon te stromen, is de nuance uit haar stem verdwenen en is alles wat zij zegt monotoon zeurend van aard. In medelijden verwikkeld stond ik dit enige tijd toe. Het kind is ziek, oorpijn is naar, toe maar dan. Nadat de antibiotica-drank opgevolgd door oordruppels allemaal in door het kind geabsorbeerd zijn is het tijd om het tij te keren. Wat blijkt? Het is vrij onmogelijk om verandering aan te brengen in een al tijden heersende sfeer. Vele malen heb ik mijn prinses gevraagd of ze misschien iets van vrolijkheid kon tonen. Dat ik het zo niet zo gezellig vind. Dat heus niet àlles stom is. Dat de zon schijnt. Al onze vrienden graag willen voelen dat ze gewenst bezoek zijn. Dat poppen het niet fijn vinden om met hun hoofd tegen de stoel aan geslagen te worden. Dat ik zin had om even lekker met haar te knuffen. Op zulke momenten keek ze me aan en zei ze ongeïnteresseerd: ‘Praat je tegen jezelf mam?’. Lang heb ik gehoopt dat dit met het oor en tijdelijk gehoorverlies te maken had. Maar helaas. Wederom een fucking ‘fase’. Als ik één woord zou mogen schrappen uit het opvoedjargon dan is dat het wel.

De zoveelste afspraak in het ziekenhuis zit erop. Conclusie; het kind verdient een algehele hoofd-update. Keel- en neusamandelen mogen eruit, en buisjes 2.0 mogen erin. Hoezee. Aan deze uitkomst is een behoorlijke onderhandeling voorafgegaan. Wanneer we plaatsnemen in een stoel bij een co-assistent met een gebrek aan affiniteit met kinderen, slaat mijn mevrouwtje haar slag.
‘Hallo Cato, mag ik even in je mond kijken?’ vraagt de jongeman. Alsof je op de verkeerde kies van de krokodil drukt, zo plots gaat haar mond dicht om nooit meer open te gaan. Ergens voelt het rustgevend. De co-assistent vindt van niet. Hij kijkt mij weifelend aan. Ik haal mijn schouders op en vertel hem dat ik niet zo goed met kinderen ben. ‘O’, is zijn antwoord. ‘Weet u misschien of ze vergrootte keelamandelen heeft?’, vraagt hij dan. ‘Ja dat heeft ze’, weet ik te vertellen. Dat heeft de huisarts namelijk geconcludeerd nadat zij met geweld het peutermondje wist te kraken. ‘Ok dan noteer ik dat en dan mag u zo met haar naar de KNO-arts’, zegt de jongen opgelucht. Ik zeg dat ik een goed gesprek met de diva aan zal gaan. We lopen terug naar de wachtkamer.

‘Cato, we moeten zo weer naar een dokter, en die gaat weer vragen om je mond open te doen. En ik denk dat hij ook even in je oren gaat kijken. Als je lief meehelpt dan mag je thuis een ijsje’, manipuleer ik. ‘Ik wil naar de zee als we klaar zijn’, biedt ze tegen. ‘Nee, maar je mag wel een ijsje èn je mag vanavond bij mij in bed slapen. Maar dan moet je wel echt doen wat de dokter zegt’.
‘Ik wil een zwembad’, is het nieuwe bod. Jemig, dat kind is echt niet meer tevreden te stellen. ‘Weet je wat, ik zet een badje op en dan mag je een ijsje’. Haar naam wordt geroepen. We lopen op de arts af. Hij steekt zijn hand uit naar Cato, waarop zij haar mond open doet en haar loopoor naar hem toedraait. ‘Wat een braaf meisje’, brengt de arts uit. De co-assistent kijkt mij vragend aan. ‘Goede gesprekken voeren kan ik wel’, zeg ik trots.

Één moment van vreugde heb ik nog wel mogen aanschouwen. We zitten in de auto op de terugweg van het ziekenhuis. De radio staat aan. ‘Mama hoor je dat? Dit liedje gaat over mijn oor!’, roept ze blij uit. ‘Want ik heb drank, en druppels. Ik heb drank en druppels’, zingt ze met Ronnie flex mee. Ik moet lachen. ‘Niet lachen!’, dirigeert ze direct. ‘Excuses oogappel van me’, mompel ik. ‘Banaanoog ben ik stomme mama!’. Ik zeg niets meer.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *