Deel 17: Happy old and new XL

Uitgelaten fiets ik naar het station. Ik heb enorm zin in vandaag. De laatste dag van het jaar. Feest! Ik vind elke dag vrij bijzonder en feestdagen in dezelfde mate. Maar de jaarwisseling maakt toch verschil. Het voelt zo lekker universeel, een feestje voor een ieder, ook al weet ik dat niet overal op deze dag een nieuw jaar ingewijd wordt. Al fietsende bedenk ik dat mijn goede voornemen zal zijn om mijn manmens los te laten. Ik glimlach, eigenlijk ben ik best trots. Niet alleen heb ik keihard mijn best gedaan om iets van ons te maken, ik doe nu ook niet minder hard mijn best om er weer niets van te maken. En vandaag gaat dat zeker lukken. Het is feest, en dat gaan we vieren in Antwerpen.

Nadat Robin met kerst bij me geslapen had bericht hij me diezelfde ochtend alweer. Ik wist niet goed wat ik ermee moest en was ergens ook bang. Ik wilde niet meer terug vallen in het ellendige gevoel. Maar ik wilde natuurlijk wel dat het ging werken. Wat dat dan ook moge betekenen. Ik hoopte op een nieuw begin. Tevergeefs. Hij reageert dagen niet en doet onverschillig, ik raak wederom geïrriteerd. Waarom? Nee, het manmens verkiest drama boven liefde. Veel veiliger. Stilte. Alweer.

Ik zie Zoë de stationshal in lopen. Verheugd kijken we elkaar aan. We hebben een beetje haast en moeten nog een kaartje halen. We gaan immers naar het buitenland en daar kunnen we niet uitchecken schijnt. Snel rennen we naar de kaartjesautomaat, en snel komen we erachter dat we hier geen kaartje meer kunnen kopen. We besluiten dat we teveel zin hebben om de eerstvolgende trein te halen en gaan daar dan ook voor. De rest zien we straks wel. Ik ben totaal geen voorbereidend typje en heb eigenlijk een te hoog we-zien-wel-gehalte. Afspraken maak ik het liefste niet en van te voren kijken hoe laat treinen, bussen en mijn fiets gaat doe ik ook niet. ‘Komt wel goed’ is mijn mantra. En zo blijkt, want bij het perron aangekomen komt de trein al aanrijden. Hopsa, dat begint fijn.

We zitten nog maar net als ik met een blij hoofd een fles champagne uit mijn tas tover. ‘Durf jij dit hier open te maken?’ vraag ik Zoë. Ze plopt de dop er kundig af. Geen gewonden, wel alcohol. Na wat bijgeklets stelt Zoë voor om even op te zoeken hoe we de reis moeten voortzetten. Het idee is om in Rotterdam uit te stappen.
‘We hebben maar een paar minuten in Rotterdam’, zegt Zoë.
‘Naja, dan vragen we wel even of we een kaartje bij zo’n treinmeneer mogen kopen. Of we gaan daar als zwervers op een bankje de fles soldaat maken en wachten op de volgende trein’, opper ik. Zoë zet in op plan A. Zodra we stilstaan in Rotterdam rennen we de trein uit. Ik schiet een treinmeneer aan. ‘Euh meneer, mag ik wat vragen. Ja? O fijn. Kijk, wij komen dus uit Utrecht. Maar we willen graag naar Antwerpen. We gaan daar nieuwjaar vieren. Maar we hebben ingecheckt in Utrecht. En nu moeten we hier uitchecken. Want in Antwerpen kan dat dus niet. We hadden in Utrecht wel gekeken hoe een kaartje te kopen, maarja, die machines van tegenwoordig, je kunt er niets meer mee. We dachten dus dat dat wel kon maar helaas. Nu zijn we dus hier, ingecheckt en wel, en nu dacht ik….’ Zoë onderbreekt me; ’kunnen we bij u een kaartje naar Antwerpen kopen?’. ‘Nee’, zegt de treinmeneer. Zoë kijkt me aan. ‘We stappen wel weer in en dan probeer ik online wel kaartjes te kopen, en anders stappen we in Roosendaal wel weer uit. En hoe jij aan een nieuwe baan bent gekomen is me een raadsel. Hoe moeilijk praat jij?’. Snel stappen we de trein weer in. Ik neem nog maar een slok.

Online bestellen wil niet lukken en in Roosendaal moeten we een klein uur wachten. We besluiten dat we vandaag alles moeten vieren dus ook deze vertraging kan niet onopgemerkt voorbij gaan. Tegenover het station is iets wat doet denken aan een café. Het blijkt een hotel en we nemen plaats aan de bar. Er is niemand te bekennen. Alles ziet er een beetje ouderwets smoezelig uit en te midden van de eetzaal die eindigt in de bar staat een enorme kerstboom. Ik vind het hier leuk. Roosendaal, wie komt daar nou nog. Er duikt een vrouw van middelbare leeftijd op vanachter de bar. Quasi-vrolijk vraagt ze wat we komen doen. Ik heb geleerd van mijn reisgenoot en zeg kort ‘wat drinken alstublieft’. Dat wordt geregeld en de vrouw schenkt twee speciaalbiertjes in. De vrouw is blij met ons gezelschap en vertelt en vertelt. Over Roosendaal, over alternatieve geneeskunde en over haar leven. Na twintig minuten kennen we de vrouw door en door, blijkt ze een alleskunner van barvrouw tot kunstenares, geeft ze ons een glossy met haar werk erin mee, en wil ze wel wat foto’s van ons maken voor de kerstboom. Dat willen we wel. Eigenlijk willen we alles wel. We zijn blij deze laatste dag van het jaar, en al een beetje tipsy ook.

De rest van de reis loopt gesmeerd en Zoë heeft de weg naar ons airbnb uitgeprint. De zon is inmiddels onder en toch lopen we in een keer goed. In de juiste straat en op het juiste nummer bellen we aan. Een donkere man doet open. We mogen mee naar boven lopen. Hij praat Engels en al snel horen we van zijn Vlaamse vriend dat hij uit India komt. Het blijkt een gezellig stel. Nadat we ons hebben klaargemaakt voor een fijne avond lopen we samen met het stel de stad in. Ze hebben elkaar in India ontmoet toen de Vlaamse vriend daar voor een jaar woonde. ‘Ja toen was ik heel verliefd dus heb ik hem maar meegenomen, dat doe je dan hè’, vertelt de Vlaamse man in het Nederlands. ‘Ja dan wel. Maar de verliefdheid is over?’, vraag ik. ‘Ja dat is wel voorbij. Hij zorgt goed voor me hoor. Dus het is allemaal prima. Maar nee, dat gevoel is wel weg. Nou, heel af en toe voel ik het nog wel.’ ‘Oja, op zon- en feestdagen natuurlijk’ zeg ik, alsof ik het begrijp. ‘Nee, zelfs dan eigenlijk niet’, antwoordt de Vlaam serieus. Ik vind hem leuk. Heel leuk. ‘Nou daar ben je dan mooi klaar mee. Heb je wel leuk werk?’
‘Ik hou niet van werken dus ik doe het ook maar niet’. Ik knik opnieuw begrijpend. Deze man straalt gewoon van zen-heid. ‘I fell in love with your husband’, zeg ik tegen de man uit India. ‘That’s ok, at least somebody’s in love’. Wat is de liefde toch mooi.

Zoë en ik gaan pizza eten en bestellen een fles wijn. We lachen en drinken en lachen en drinken en lopen aan het einde van de avond lallend naar de haven. Daar is Lotte met haar vriendin. Antwerpen is fantastisch met nieuwjaar; een enorm spektakel aan vuurwerk barst los vanaf een grote boot onder begeleiding van luide muziek en dat wordt massaal bewonderd aan de kade. Ik ben gelukkig. Hier, nu. Met mijn lieve vrienden, met de muziek, ondertussen dansend (springend) en zingend (gillend). Zo mag het altijd blijven. We kussen elkaar van blijdschap. Denk ik. Een kwartier later kon ik erachter dat het kwart over twaalf is. Gelukkig nieuwjaar!

Zoë en ik hebben kaartjes gekocht voor een feestje ergens. We verlaten Lotte en haar vriendin en zoeken een weg door de menigte naar de feestlocatie. We blijken niet meer zo soepel in deze vaardigheid maar uiteindelijk komen we aan bij Felix Pakhuis. Het is waanzinnig, als je binnenkomt ben je alsnog buiten lijkt het. Er is namelijk een soort van steeg te midden van twee gebouwen. Door de verlichting en de hoogte geeft het een sprookjesachtig gevoel. Trots komen we redelijk snel de rij uit, het feest in. Met onze jas nog aan. Blijkbaar hebben we de garderobe gemist. Het is hier een doolhof. Dan maar onze jassen verstoppen, weliswaar netjes op hangertjes aan een kapstok. Een personeelskapstok. Kan geen kwaad verwachten we. Geënthousiasmeerd door onze tijdwinst kopen we een fortuin aan muntjes.

Een paar biertjes verder blijkt het feestje toch niet zo tof als gedacht. De muziek is slecht, niet alleen de liedjeskeuze, ook het geluid. De mensen zijn belachelijk bekakt. Voor het eerst dat ik in zo’n gezelschap een feestje vier. We laten ons niet kennen en ik lach me suf om Zoë. Nooit eerder heb ik haar zo dronken meegemaakt. Ik huppel achter haar aan en zie hoe ze tegen een ieder aanpraat of aanloopt. Op een gegeven moment hebben we een groepje gemaakt van twee mannen en twee vrouwen, wij zijn de vrouwen. Zoë praat poep en rolt met haar ogen. De jongen die naast mij staat is best wel leuk, hij maakt grappen en is niet lelijk. Maar ik denk aan Robin. We kletsen en dansen een beetje. Ondertussen kan ik mijn ogen niet van Zoë afhouden want ik vind alles wat ze doet hilarisch. Ineens is ze er klaar mee, en dat zegt ze dan ook hard; ‘deze is niet leuk ik wil een andere, kom’. Ik kijk mijn jongen aan. Ik vraag me af hoe oud hij is, hij lijkt wel jong. Zou hij nog studeren? ‘Wat doe jij eigenlijk, zo doordeweeks?’ hoor ik mezelf vragen terwijl Zoë me meetrekt de dansvloer op. ‘Ik ben arts’, antwoordt de jongen trots nog voordat ik uit het zicht verdwijn.

Dat blijft nog even hangen. Raar is dat toch, mensen die zeggen dat ze ‘arts’ zijn, zijn altijd een beetje verloren heb ik het idee. Je bent ‘dokter’ als je nog met beide benen op de grond staat of je noemt je specialisatie (to be) als je er eentje hebt waar je trots op kunt zijn. Ik vind het ook raar wanneer ik studenten uit deze tijd hoor zeggen dat ze ‘medicijnen’ studeren. Gebruik je dan ook nog boeken uit 1950? Vreemd.

We besluiten dat we het feest niet tot het einde gaan uitvieren en dat onze munten dus best wat harder mogen rollen. Daarom stappen we over op sterke drankjes. We voelen ons ook steeds sterker. We dansen prachtig, we vinden de wereld best wel erg mooi zo. Dat vertellen we elkaar ook vier keer als we in de rij staan te wachten voor de wc. Ik ben eerder klaar dan Zoë en besluit voor het toilet naar haar uit te kijken. Plots staat de arts weer naast me. ‘Daar ben je!’, zegt hij enthousiast. Ik kijk alleen maar. Ja ik ben hier. ‘Ik was je al kwijt, dacht dat je naar huis was’. Ik heb geen tekst. Ik kijk gewoon door. Ik bedenk ineens dat hij Nederlands is. En we zijn in België. Dat is gek. Hij is best wel leuk op dit tijdstip. Ik leun nonchalant tegen de deur achter me. Bam! Ik lig in het schoonmaakhok achter de deur die blijkbaar niet dicht was zoals ik hem wel had ingeschat. De arts raapt me op. Ik voel me nog altijd nonchalant en lach naar mijn idee lief. En naar de arts zijn idee ook want hij kust me. Even later voel ik een arm om me heen. Armen om ons heen eigenlijk. ‘Wat een leuk feestje hè jongens’, lispelt Zoë terwijl ze ons knuffelt.

Moe en voldaan lopen Zoë en ik hand in hand de frisse lucht in. ‘Fijn hè, leven?’, vraag ik Zoë. ‘Ik heb honger’ is haar antwoord. We besluiten dat we niet willen lopen maar de eerste de beste taxi die we tegenkomen naar het airbnb nemen. Deze volgt al snel. Zoë leest het adres op van haar routebeschrijving. De taximeneer verzucht dat het hier een paar meter vandaan is. We komen niet meer bij van het lachen. Terwijl ik de deur open om uit te stappen vertelt de taximeneer dat we wel moeten betalen want hij heeft ‘de’ knop al ingedrukt dus het starttarief is een feit. Ik sluit de deur weer en lach ‘doe dan ook maar een rondje’. ‘Ja, naar lekkere patattekes’, voegt Zoë er aan toe.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *