Deel 23: In de bouwput

Het is een mooie zaterdagmiddag en samen met het kind en een vriendin loop ik op de markt. De markt ja, daar waar heel veel mensen lopen. Heel veel mensen met hun onverwachte bewegingen en geluiden. Dat waar ik zweethanden en knarstanden van krijg. Het enige dat mij stil maakt.

Wanneer ik mijn telefoon pak om te kijken hoe laat het is, zie ik een gemiste oproep van mijn huisbaas. Het panieklevel gaat omhoog, de verschijnselen nemen toe. Ik besluit naar huis te gaan en al fietsende, met het kind achterop, bel ik meneer Harmsen. Meneer Harmsen is een schattige Utrechtse huisbaas van bijna 80 jaar. Vol met bemoeienis en grootheidswaanzin, maar met een klein hartje. Meneer Harmsen en ik staan al tijden op goede voet met elkaar. Hij staat met enig regelmaat onaangekondigd in mijn huiskamer om een koffietje te drinken. Ik bel hem op mijn beurt regelmatig wanneer er iets op instorten staat of wanneer ik hem een poosje niet gezien heb, als hij van een trapje is gevallen of poliepen heeft laten verwijderen. En wanneer ik een oproep heb gemist.

‘Dag meneer Harmsen, u had gebeld?’
‘Ja, even over je badkamer. Ik heb een aannemer gesproken. Echt een heel goede, ken hem al jaaaaaaren,’ (Harmsen kent iedereen al jaaaaaren) ‘en ik heb hem dus gezegd, dat meissie wil graag weer een bad. Kon hij wel regelen, dus we beginnen overmorgen’.
Ik schrik me een hoedje.
‘OVERMORGEN?! Dat kan niet, dat kan echt niet. Ik moet toch dingen regelen. Ik moet mijn huis uit, samen met het kind. Ik moet ergens bed, bad, brood zien te regelen. Ik kan niet thuis werken, niet douchen niet, dat gaat toch niet zomaar. Overmorgen… Jemig.’
Meneer Harmsen lacht. ‘Je kunt toch gewoon thuisblijven? Het duurt maar een weekje. Rustig maar.’
‘Natuurlijk niet! Ik kan toch niet douchen, er komt mega veel troep overal, alles zal vies zijn, chaotisch en vol van herrie. En dan ook nog van die mannen in mijn huis. Bedank je de koekoek.’
‘hihihihi, zo grappig, jouw paniek’
‘Dat is toch niet leuk? Ik weet gewoon nu niet zo snel waar ik heen kan en zo’
‘Jawel haha. Ze weet niet waar ze heen moet. Hihi. Paniek.’
‘Dat is eigenlijk juist zielig! Ik weet niet waar ik heen moet. Verre van grappig!’
‘hihihi’
‘Nou!’
‘Ik bel je vanmiddag later wel even terug, kijken of je paniek over is, hahaha.’
‘Ok. Pas op voor tapijtjes hè.’

We besluiten de sloop- en bouwwerkzaamheden een maandje uit te stellen. Cato en ik logeren een weekje bij Zoë. Omdat Zoë midden in het centrum woont, kan ik mijn auto daar niet parkeren. Het is zondag vroeg in de middag wanneer het kind en ik, vol bepakt met tassen, een koffer en een loopfiets op de fiets richting Zoë gaan. We zijn goed en wel rollende wanneer ik er achter kom dat dit de dag van de marathon van Utrecht is. Perfect. De marathon is nog maar net van start want de lopers die we zien zijn afkomstig uit echte hardlooplanden en gaan knoeihard. Hoe het kan weet ik niet, maar ik fiets daadwerkelijk naast de lopers, op dezelfde baan. Goddank zijn ze buitensporig snel en dus niet met velen. Waarom is dit niet goed afgezet? Of waarom heb ik de hele afzetting gemist? Ik weet dat deze marathon een paar jaar lang weggeweest is vanwege financiële redenen, misschien is er nu geen budget voor een afbakening? Langs de kant juichen mensen. Ik kan er niet meer uit. Er zit niets anders op dan mee te juichen en door te fietsen. Het kind klapt er op los. ‘Leuk mam! Zullen we ook meefietsen als al de fietsers weer hier komen?’. De tour heeft zeker indruk gemaakt.

Nu de verbouwing gaande is, fiets ik in de ochtend naar mijn huis, om vanaf hier mijn weg naar werk met de auto te vervolgen. Nu is het vrij raar om bij je eigen huis aan te komen en hier iemand anders binnen te zien, die op zijn beurt geen idee heeft wie jij bent. Terwijl ik de auto in stap zie ik mijn badkamerbouwer mijn huis uit lopen. Hij kijkt naar mij. Al achteruitrijdend vraag ik mij af waarom. Best een leuke bouwvakkermeneer eigenlijk. Hij blijft maar kijken. O! Misschien herkent hij mij, van de foto’s op de wc. Bouwvakkers plassen immers ook. Op dat moment zwaait hij. Ochja, hij heeft het ook door. Soulmates, nu al. En BAM! Daar bots ik tegen een grote witte bus achter mij op. Mijn badkamerprins loopt hoofdschuddend mijn huis weer in. Ik begrijp er niets van.

Ondanks mijn minimale rij- en parkeervaardigheden heb ik nog niet eerder bewuste schade gemaakt. En nu?! Een flinke deuk siert de passagiersdeur van de witte bus, alsmede mijn auto’s achterwerk. Het is half acht in den ochtend. Ik kan toch niet bij al die huizen gaan aanbellen en vragen van wie nou eigenlijk dat busje is? Een papiertje! Ja, zo hoort dat, een briefje met sorry en mijn telefoonnummer. Dan deel ik deze ook nog eens uit. Maar het gaat zo regenen. Ik besluit binnen iets te zoeken dat werkt. Bob de badkamerbouwer komt tevoorschijn wanneer ik mijn woonkamer betreed.
‘Lekker kut begin van je dag hè?’, zegt hij.
Die Bob, empathisch en handig èn een ochtendmens. Waar vind je dit nog? Ik besluit maar niet te vertellen dat hij mij afleidde.
‘Ja, tamelijk. Ik heb geen idee wat er gebeurde. Maar wat moet ik nou? Ik bedoel, een briefje schrijven terwijl het gaat regenen? Aanbellen bij een ieder in de straat? En welke straat nou eigenlijk? Ik heb dit nog nooit gehad. Ik wil niet dat diegene denkt dat ik er van tussen ben hoor. Zo ben ik niet. En als..’
Bob onderbreekt me; ’Bel gewoon dat mobiele nummer dat heel groot op die bus staat’. Ik kijk naar buiten. Inderdaad, een heel groot mobiel nummer op de witte bus. Zo heerlijk praktisch, die Bob.
Wanneer ik mijn huisvriend later op de dag spreek en vertel over het accident heeft hij Bob er al over gesproken. ‘Ja Bob had het er ook al over. Hij zei dat hij nog gebaarde dat je moest stoppen en dat het net leek of je toen gas bijgaf’. Bob vertelt mij blijkbaar ook niet alles.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *